Thu 12 Jun 2008
Met een dood vogeltje in mijn mond werd ik wakker.
De radiowekker bleef irritant klassieke muziek spelen. Met 1 oog dicht probeerde ik de radio te killen, maar mislukte in deze vruchteloze poging. Het ontbrak me aan lef en toewijding. De wekker bleek een meter te ver weg en mijn voet bleef zweven in het luchtledige. Met het andere open kijk ik naar het plafond, ik lik over mijn lippen. Ik proef de witte wijn niet meer, maar voel de kabouters die met hun pikhouwelen de binnenkant van mijn hoofd bewerken. Het vogeltje dat de hele nacht heeft liggen sudderen en mijn smaakpapillen zodanig heeft geprikkeld, verspreid een weeige geur. Ik ruik de carpaccio met truffel mayonaise, de Bouillabaisse geklaard met kippenbouillon en de chocoladetaart die op gegeten moest worden. Met name dat laatste: we hebben de vorm zelfs uitgelikt. We doen wel alsof we een elitekookmannengezelschap zijn, maar ondertussen staan we met onze sloven als barbaren en uitgehongerde kinderen te dansen in de keuken van opwinding. Verhalen over het goede leven gaan over de tong en goedlachs slaan we elkaar op de schouder.
Bruusk tapoteer ik mijn mond met een borstel. Ik haat de uitdrukking, ’s nachts een vent, ’s morgens ook een feest.
“we fietsen wel alleen Pa, je slingert”
Ze zwaaien me na en fluiten als een dood vogeltje…..